“Gloeilamp onrendabel maar wel aangenaam”

In de Telegraaf van 4 september 2012 een artikel van Jos van Noord over “het giftige peertje”. Hij schrijft o.a.:

Sinds vorige week mogen energie slurpende gloeilampen hier niet meer worden gemaakt of geïmporteerd. Maar de verkoop vertoont pieken, de peertjes worden dezer dagen massaal gehamsterd. Door de enorme voorraden die lampengroothandels en winkels hebben ingeslagen, is de verwachting dat pas over een aantal jaren de gloeilamp definitief uit de Nederlandse huishoudens zal zijn verdwenen. Helpen we nu het milieu, ónze portemonnee of die van de lampenindustrie?

Een grote vraag die bij de consument leeft en nooit heel duidelijk door de industrie beantwoord wordt is de mate van schadelijkheid en milieubelasting van respectievelijk de gloeilamp en de spaarlamp. De gloeilamp is een onrendabele lichtbron, want van alle energie die daar ingaatt, wordt nog geen 4 procent omgezet in licht, de rest wordt omgezet in warmte. Warmte die overigens ook een klein beetje bijdraagt aan de verwarming van je huis.

Maar hoe zit het met de milieubelasting van de spaarlamp? Een kapotte gloeilamp gooi je in de vuilnisbak, maar een spaarlamp dient gedeponeerd te worden als chemisch afval vanwege de grote hoeveelheden kwik en arsenicum. Het is lang niet zeker dat iedere consument dat ook daadwerkelijk doet. Veel spaarlampen (en ze gaan vaker kapot dan menigeen lief is, soms binnen een jaar al) zullen gewoon aan de straat gezet worden in de KLIKO of vuilniszak. Het recyclen van de kapotte spaarlampen levert hoe dan ook hoge kosten op, zéker geen besparing. Ook het maken van die lampen – veelal in Azië – kost véél meer energie dan de productie van gloeilampen.

Jos van Noord vraagt zich af:

Opgelucht dat die onrendabele gloeilampen eindelijk verboden zijn? Of voor de schemerlamp toch liever ’t aloude peertje? Wat is er mis met led lampen? De schaduwzijde van spaarzaam verlichten?

Reageren kan op de site van de Telegraaf.

Niets boven het oude peertje!

De Telegraaf deed onlangs onderzoek naar de mening over het gedwongen verdwijnen van de gloeilamp. Het ergert ca. 86% van de ondervraagden dat de gloeilampen niet meer overal in de winkels liggen. Want “gloeilampen zenden het volledige kleurenspectrum uit en geven daardoor gezond licht. Spaar- en ledlampen missen dit” aldus de Telegraaf.

Niets boven het oude peertje!

De Telegraaf - Niets boven oude peertje

Menig consument heeft een grote afkeer van de spaarlamp. Veel genoemde ergernissen:

Wantrouwen

Ook blijkt dat de consument een groot wantrouwen heeft over de motieven van de politiek. Want spaarlampen mogen wellicht iets zuiniger met electriciteit omgaan, eenmaal opgebrand (en dat is menigmaal veel sneller dan de verpakking belooft), moet de spaarlamp bij het chemisch afval gedeponeerd worden vanwege de giftige materialen waaruit de spaarlamp is opgebouwd. De consument vermoedt dat “Brussel” of “de politiek” onder één hoedje speelt met de spaarlampenindustrie. Fijntjes wordt er op gewezen dat oud-minister Jacqueline Cramer van de PVDA in de jaren 90 in dienst was van Philips. “Doorgestoken kaart”, zo tekent de Telegraaf op. En ook: “Cramer heeft zich laten inpakken door de industrie- en milieulobby¨.

Marktwerking of gedwongen winkelnering?

De Telegraaf vindt de maatregelen bizarre betutteling. Immers, als de spaarlamp werkelijk zoveel voordeel zou bieden boven de gloeilamp, dus echt zuiniger, minimaal even mooi licht, praktisch in huis, dan zou het oude peertje vanzelf wel van de markt verdwijnen. Zoiets heet marktwerking. Maar het tegendeel is het geval. Overal is er nog grote vraag naar de oude gloeilamp en de ergernis is groot als de leverancier moet melden de lampen niet meer verkocht mogen worden op last van hogerhand.

Bewerking van artikel van 23 april 2011. Bron: De Telegraaf.

10%/90%, 0,3% – enige percentages…

Het verbod op de productie van gloeilampen is ingegeven door de gedachte dat de gloeilamp feitelijk een groot deel van zijn energieverbruik spendeert aan de afgifte van warmte en maar een gering gedeelte aan de verspreiding van licht. De verhouding licht/warmte wordt algemeen vastgesteld op 10%/90%.

Bovenstaande moge waar zijn (wij hebben het niet zelf nagemeten), toch is het milieu weinig geholpen met de maatregel. In de Nederlandse huishoudens bijvoorbeeld nemen de gloeilampen slechts 0,3% van het totale nationale energieverbruik voor hun rekening (al houdt het Centraal Bureau voor Statistiek het op 0,8%, omdat voor de opwekking van deze energie in de elektriciteitscentrales nog eens 0,5% extra nodig is).

Hoewel spaarlampen op het moment van branden wel degelijk zuiniger met energie omgaan, wordt het effect menigmaal teniet gedaan omdat consumenten hun lampen langer laten branden, juist in de veronderstelling dat dit beter zou zijn voor de levensduur van spaarlampen. Ook het “op temperatuur komen of op volle lichtsterkte komen” is voor velen een reden om de spaarlamp niet voortdurend uit te doen als licht niet strikt noodzakelijk is, bijv. in badkamers, toiletten of in trappenhuizen.

Voorstanders van de afschaffing van de gloeilamp vergeten voor het gemak dat de opgewekte warmte geen weggegooide energie is, maar wezenlijk bijdraagt aan de verwarming van het huis, zeker in de donkere wintermaanden als men ook de kachel aan heeft. Wat de spaarlamp niet aan warmte opwekt, moet nu door de CV opgebracht worden. Onderzoek heeft uitgewezen dat door de warmteproductie van gloeilampen de temperatuur in huis tot wel 3 graden kan oplopen.

En zijn de voordelen van de minieme energiebesparing nu wel zo groot? Laat men niet vergeten dat de productie van spaarlampen, afhankelijk van het type of model anderhalf tot tien keer (!) zoveel energie kost als de productie van gloeilampen. Ook is inmiddels genoegzaam bekend dat spaarlampen vanwege de gebruikte zware metalen bij het chemisch afval thuishoren en niet in de gewone prullenbak.

Zo beschouwd kan men in het belang van het milieu met evenveel recht vasthouden aan de gloeilamp boven de spaarlamp. Al zal voor velen eerder de doorslag geven dat een gloeilamp prettiger, natuurlijker licht verspreidt dan de spaarlamp.

Spaarlampen in een kroonluchter?

Liefhebbers van gloeilampen begrijpen het niet. Waarom moet deze lichtbron weg? Sfeervoller licht bestaat er immers niet.

Venetiaanse kroonluchters met spaarlampen. Je moet er niet aan denken, zegt Remko Gremmen van Aurora Kontakt in Amsterdam. De spaarlampen zijn weliswaar niet meer de jampotten van vroeger, maar lang niet zo mooi als een echte gloeilamp. En dat zullen ze ook nooit worden.

Remko toont ze naast elkaar: een fraai ontworpen gloeilamp in de vorm van een kaarsje en de nieuwste spaarlamp. Over smaak valt niet te twisten, maar dit is toch een heel verschil. Ik kan mij niet voorstellen dat de kroonluchters in de St. Bavo in Haarlem of Huis ten Bosch in Den Haag over een paar jaar met spaar– of ledlampen worden uitgerust.

Ook in bepaalde designlampen en straatlantaarns zal volgens hem ook in de toekomst de voorkeur worden gegeven aan een lamp met een kooldraad.

Nederland zal door een verbod van de gloeilamp mogelijk een stukje lelijker worden, maar niet donkerder. Praktisch zijn er geen problemen om op termijn in alle lichtpuntjes de gloeilampen te vervangen door spaarlampen of nog energiezuinigere ledlampen.

In elke fitting past nu ook een spaarlamp. Uitzonderingen zijn nog de schakelbordlampjes. Voor deze lichtbronnen, die ook wel parfumlampjes worden genoemd omdat er vroeger parfum op werd gedaan voor de geur, zijn nog geen moderne versies beschikbaar.

Maar misschien over een paar jaar wel, zegt Remko. De ontwikkelingen gaan snel. En de Nederlandse overheid werkt nauw samen met de industrie – vooral met Philips.

Van de nieuwste ledlampen had Aurora een paar jaar terug nog slechts één plank in de grote zaak aan de Vijzelstraat. Nu zijn het al vier kasten, van koelwit tot warmwit en in de kleuren rood, geel, groen en blauw. Remko: Om eerlijk te zijn bestaat 50 procent van ons assortiment nog uit gloeilampen en zijn ze nog goed voor 75 procent van onze omzet.

Een probleem voor het overstappen op spaarlampen voor de consument is dat ze niet zo makkelijk kunnen worden gedimd. Je moet de bestaande diminstallaties ombouwen. Bij spaarlampen kan je vervolgens alleen trapsgewijs dimmen: bijvoorbeeld van 25, naar 50 of 75 procent. Dat is een stuk minder mooi. Bij ledlampen kan het wel vloeiend verlopen, maar ook weer niet met een gewone dimmer, aldus Remko.

Het verschil tussen de spaarlamp en de ledlamp is dat de eerste net als de tl-verlichting een gasontladingslamp is. De tweede werkt met diodes. De ledlamp wordt niet warm. Zelfs als de lamp uren aan is geweest kun je hem met blote handen vastpakken. Maar beide lampen geven minder licht en minder sfeer dan de oude gloeilamp, zegt Remko.